Verslag 15 februari – symposium ABNG

 

 

Op 15 februari 2003 hield de Artsenvereniging tot Bevordering van de Natuurgeneeskunde (ABNG) een symposium over hypothyreoïdie. Hypo maar niet Happy was (en is) zeer verheugd dat de ABNG dit onderwerp zo belangrijk vond dat ze er een symposium aan wilde wijten. Hypo maar niet Happy ontving ook een uitnodiging, en was met 4 personen aanwezig. Wij vonden het een leerzame dag voor alle aanwezigen, en hopen dat vele patiënten in de toekomst zullen profiteren van de door de artsen opgedane kennis. In elk geval kennen alle aanwezigen Hypo maar niet Happy nu, en weten zij van het bestaan van de infomap (we hadden een doos mappen mee willen nemen, maar moesten zo vroeg op dat we in het donker…) En natuurlijk willen wij ook alle hypo’s zelf de kans geven om meer te leren over hypothyreoïdie, vandaar dit uitgebreide verslag. Wij hebben uitgebreid zitten pennen, en hebben ook gebruikt gemaakt van de syllabus die iedere deelnemer kreeg uitgereikt. Alle sprekers hadden voor deze syllabus een bijdrage geleverd.

Wat ons opviel, was de houding ten opzichte van patiënten van de sprekers en ook van de artsen die wij spraken ‘in de wandelgangen’. De tijd en zorg die zij voor mensen hebben, de belangstelling en interesse in mensen die vanzelfsprekend zouden moeten zijn, vielen op. 

Wij willen Robert Linschoten en de ABNG nogmaals bedanken voor de uitnodiging en gratis toegang. Wij hopen dat onze bijdrage aan deze ook gewaardeerd werd.

 

Over de sprekers

 

Robert Linschoten (1927) was achtereenvolgens werkzaam in de psychiatrie (als erkend gewetensbezwaarde tegen militaire dienst) en in de Public Health (Ned. Antillen); hij was huisarts (Curacao), studentenarts, docent huisartsgeneeskunde (R.U. Utrecht) en oprichter en directeur van het Medisch Diagnostisch en Preventie Centrum (Utrecht). De afgelopen 20 jaar had hij een Consultatieve praktijk voor Preventieve-, Orthomoleculaire- en Natuurgeneeskunde.

Hij verdiept zich reeds lang in Hypothyreoïdie en heeft daarover uitgesproken opvattingen.

 

D. van der Heide (1943) studeerde biochemie aan de Rijksuniversiteit van Leiden en werkte daarna op de afdeling Pathologische Scheikunde van de Medische Faculteit van deze universiteit; hij promoveerde op “Hormonale regulaties van MUP, een geslachtsafhankelijk eiwit bij ratten”. In 1975 volgde zijn aanstelling als hoofd Research Laboratorium, vakgroep Stofwisselingsziekten en Endocrinologie, Medische Faculteit, RU Leiden. In November 1989 volgde zijn benoeming tot hoogleraar Fysiologie van Mens en Dier aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen. Vanaf 1990 is hij lid en vanaf 1993 voorzitter van de Dierexperimentencommissie aan de LU Wageningen.

Zijn expertise:

 

Ronald van der Vlies (1946) was achtereenvolgens werkzaam als verpleeghuisarts, als docent aan de Hogeschool van Amsterdam afdeling fysiotherapie. Leeropdrachten psychosomatiek, communicatie en neurowetenschappen. Hij heeft sinds 1980 een consultatieve praktijk voor complementair alternatieve geneeskunde. Hij is arts voor neuraaltherapie en manuele geneeskunde. In 1983 heeft hij een driejarige opleiding psychosomatische fysiotherapie opgezet en hij is erelid van de beroepsgroep voor psychosomatische fysiotherapie. Uitgangspositie is altijd gebleven een interesse in zowel de psyche maar ook de biologie. Begin jaren tachtig door ervaringen met magnesium gefascineerd geraakt door biochemische processen en de fenomenen spierkramp en chronische moeheid. In het verlengde hiervan studie naar de minimale expressies van Hypothyreoïdie. Inmiddels al weer vijf jaar ervaring met suppletie met preparaten die T3 bevatten.

 

Walter Vincent Baisier (1935) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Leuven en specialiseerde zich daarna tot internist; hij liep tijdens zijn opleiding tot internist, stages in Parijs (Gynaecologie, Nefrologie), Furness (Pneumologie), Londen (Pneumologie en Cardiologie) en Edinburgh (Coronary Care Unit). Diende in het Belgische leger als internist en is Lt Col Med Res Rt. Werkte in het burgerleven achtereenvolgens als internist in Bilzen en Antwerpen en heeft sinds jaren een privé-praktijk in Antwerpen waarin hij zich vooral toelegt op de endocrinologie (geleerd van Dr. Jacques Herthoge zaliger).

 

Bert Bakker en Lottie van Starkenburg zijn beide hypothyreoïdiepatiënt en vrijwilliger voor Hypo maar niet Happy – belangengroep mensen met hypothyreoïdie.

 


 

Robert Linschoten

Eerste spreker was Robert Linschoten, een van de organisatoren van deze dag. Hij legde uit waarom een dag over hypothyreoïdie nuttig en nodig is: “Hypothyreoïdie en een veronachtzaamd en verwaarloosd onderwerp in de geneeskunde. Vanmorgen nog stond er een grote advertentie van het diabetesfonds in de krant. Er zijn meer mensen met hypothyreoïdie dan diabetes, maar over schildklierziekten hoor en lees je veel minder. De reden? Met hypothyreoïdie is geen geld te verdienen, schildklierhormonen zijn spotgoedkoop. Met verschillende soorten insuline en nieuwe toedieningsvormen is veel geld te verdienen. Een cynische anekdote van mijn collega Van der Heide illustreert dit: “voor het jaarlijkse diabetescongres stelt de farmaceutische industrie 2 miljoen dollar ter beschikking, de deelnemers kunnen in een chique hotel logeren. Voor het jaarlijkse schildkliercongres krijgen we met veel moeite twee ton losgepeuterd.’. Maar, wij moeten ons niet laten leiden door financiën!”

“Waar gaan we het vandaag over hebben? Over hypothyreoïdie. En ook over CVS/ME, waarbij schildklierhormonen een grote rol blijken te spelen. Wij zullen proberen uw interesse te wekken voor de behandeling van hypothyreoïdie. Ook zijn er nog een aantal leuke discussies: ‘moeten wij als artsen natuurgeneeskunden wel hormonen voorschrijven?’, ‘zijn er andere middelen tegen hypothyreoïdie?’ en ‘hoe kunnen wij de deplorabele toestand van veel mensen met hypothyreoïdie verbeteren?’.”

“Als natuurartsen gaan wij praktisch te werk. Maar wij willen ook onderbouwing, een fundament. Professor Van der Heide zal zo daarover een uiteenzetting door. Ook willen wij graag evidence based medicine bedrijven, en daarover zal Dr. Basier straks spreken.”

Daarna presenteerde Robert Linschoten basiskennis hypothyreoïdie: de TRH-TSH-T4&T3 regelkring, thyrosine en jodium als essentiële bestanddelen van schildklierhormoon, klachten en symptomen, ochtendtemperatuur als indicatie voor hypothyreoïdie. Hij benadrukte dat klachten het belangrijkste instrument moeten zijn voor het stellen van de diagnose, en niet TSH en FT4. Deze testen hebben klinisch weinig betekenis: “Mijn collega Basier noemt de TSH methode ‘armzalig’.” Een relatie tussen TSH en klachten is er niet.

Ook noemt Robert Linschoten dat bij behandeling met T4 alleen vaak hypo en hyper symptomen tegelijk worden gezien: sommige weefsels krijgen teveel schildklierhormoon, andere kunnen T4 niet voldoende omzetten in T3 en blijven hypothyreoot.

Ook vertelt Robert Linschoten nog een stukje geschiedenis. In 1965 is een wet aangenomen die bepaalde dat van elk geneesmiddel bekend moest zijn hoeveel werkzame stof erin zit, en hoe je dat kunt bepalen. Thyranon *noot: merk dierlijk schildklierhormoon dat tot 1987 in Nederland verkrijgbaar was * voldeed niet aan deze eis, en werd in 1987 van de markt gehaald. In mijn ogen stelt deze wet onredelijke eisen, in de praktijk waren er geen problemen. Maar vanaf dat moment hadden patiënten geen andere keus meer dan Thyrax, synthetisch T4. Dit werd kritiekloos ingevoerd, terwijl minimaal 30% van de patiënten er op achteruit ging. Een dramatische vergissing.”

“Voor de behandeling van hypothyreoïdie biedt de natuurgeneeskunde meer mogelijkheden:

-         voeding (aminozuren, iedere ochtend een ei)

-         homeopathie helpt soms een beetje

-         fytotherapie

-         yoga

-         acupunctuur

-         neuraaltherapie

Toch kom je eigenlijk nooit uit onder hormonen. Ik ben wel benieuwd welke andere natuurgeneeswijzen u nog kent voor schildklierproblemen.”

Uit de zaal komen in de loop van de dag naar voren:

-         ayurveda (enkele onuitspreekbare namen die de toehoorders van HmnH niet kunnen reproduceren of spellen)

-         ozontherapie (“jaren geleden gaf ik vaak ozontherapie aan mensen die klachten hadden zoals u net beschreef. Ik heb dat toen niet benoemd als schildklierprobleem, maar het is goed mogelijk dat onder hen veel hypothyreoïdiepatiënten waren. Dit is achteraf geredeneerd.”)

-         twijfels over neuraaltherapie: “ik heb geen goede ervaringen, ken ook alleen anekdotisch bewijs dat het wel werkt bij schildklierproblemen.”

Robert Linschoten vindt dat dierlijk schildklierhormoon de voorkeur verdient boven alleen T4 omdat dierlijk schildklierhormoon alle schildklierhormonen bevat. Hij geeft zijn collega’s een overzicht welke soorten dierlijk schildklierhormoon zij kunnen voorschrijven: Armour Thyroid uit de verenigde staten, via de internationale apotheek, voor eigen rekening van de patiënt en erg duur. En Thyreoidum, Nederlands schildklierpoeder van Deense biggetjes, goedkoop en vergoed door het ziekenfond, en binnenkort in tabletten verkrijgbaar.

Tenslotte Robert Linschotens conclusies:

-         klachten en gevoel en niet bloed moet de doorslag geven

-         conversie van T4 naar T3 is niet altijd mogelijk, en hoe langer hypo, hoe moeilijker

-         dierlijk schildklierhormoon verdient de voorkeur

-         patiënten moeten niet bang zijn om te schakelen of te gaan hyperen

-         zelf meedenken over dosering door patiënt is belangrijk

-         laat patiënten een eigen dossier bijhouden

  


Professor van der Heide

 

De tweede spreker is professor Van der Heide, hoogleraar fysiologie van mens en dier aan de Universiteit van Wageningen.Professor Van der Heide doet al 12 tot 14 jaar experimenten met dieren op het gebied van de endocrinologie. Over zijn onderzoek, en over die van de familie Escober, op het gebied van schildklierhormonen vertelt hij vandaag.

 

Alleen met T4 en T3 kan euthyreoïdie in alle weefsels bereikt worden

“U kent de regelkring hypothalamus, hypofyse, schildklier en schildklierhormonen. Maar het is ingewikkelder dan dat. Iedere cel bepaalt zelf of het schildklierhormoon opneemt, activeert of laat. Op alle punten kan er iets misgaan. In het bijzonder blijkt het belangrijk of je alleen T4 of T4/T3 toedient. Alleen met T4/T3 combinatietherapie kunnen alle stappen goed verlopen.”

“Een voorbeeld: de familie Escobar heeft aangetoond dat hypothyreote ratten die alleen T4 toegediend krijgen, altijd hypothyreote en hyperthyreote weefsels tegelijkertijd  houden. Welke dosis T4 de ratten ook kregen, altijd waren meerdere weefsels hypo- of hyperthyreoot!”

Slechts één dosis T4 normaliseerde het TSH, maar dan is het T4 is alle weefsels verhoogd, en het T3 soms verhoogd, soms verlaagd. T4 alleen kan nooit alles normaliseren (ook niet de T3 spiegels in de weefsels met afwijkende T4 en TSH niveau's).

T4/T3 combinatietherapie kon tegelijkertijd èn het TSH normaliseren, èn t4 in alle weefsels in normale waarden èn t3 in alle weefsels in normale waarden als de verhouding T4 / T3 één op zes was (en de som van de twee voldoende hoog). De verhouding T4/T3 maakte uit: bij hogere of lagere verhoudingen werd niet het gewenste effect bereikt. Van der Heide: “Ik pleit voor combinatietherapie van synthetisch T4 en synthetisch T3 in de goede verhouding. *noot wat de optimale verhouding is voor mensen heeft Van der Heide niet onderzocht. Bovendien meen ik mij te herinneren dat dit intraveneus was toegediend, via de darm moet de verhouding T4/T3 waarschijnlijk hoger zijn omdat T4 slechter wordt opgenomen dan T3 *

 

 

 

Iets meer over de werking en productie van schildklierhormoon

“De schildklierhormonen kunnen worden weergegeven in een diamant-diagram:

T4

/        \

/           \

   3’3 5 T3       3 3’ 5’ T3

/        \         /        \

/            \      /          \

3 5 T2      3 3’ T2      3’5’T2

\            /    \           /

\         /       \         /

3T1             3’T1

\                /

\            /

\        /

T0

 

De actieve vorm van T3 is 3 3’5’ T3. De andere vorm 3’ 3 5 T3 is niet actief, maar er zijn aanwijzingen dat deze vorm van T3 wel actief is bij foetussen. 3’ 3 5 T2 * noot: de getallen voor de T geven de posities aan van de jodiumatomen in het molecuul * is biologisch actief. Het speelt een directe rol in de mitochondriën. *noot: mitochondriën zijn de ‘energiefabriekjes’ van de cel *. Van 3 3’ T2 is bekend dat het een sterke terugkoppeling heeft op de omzetting van T4 in actief T3, maar niet bekend is of het zelf ook biologisch actief is. Over 3’5’ T3, over de T1-en en T0 weten we niets.”

 

Hoe wordt schildklierhormoon in de schildklier gemaakt? De verhouding T4/T3 die de schildklier maakt hangt af van de hoeveelheid jodium in de voeding. T4 en T3 zijn gebonden aan Thyreoglobuline, het geheel zit verpakt in een membraan omdat anders de schildklier zelf permanent zou hyperen. Door deze verpakking wordt dat voorkomen. Het schildklierhormoon voor eigen gebruik van de schildklier wordt uit het bloed gehaald!

 

Waar komt het T3 in de weefsels vandaan?

“Hoeveel T3 lokaal uit T3 gemaakt wordt uit T4 en hoeveel T3 van direct vanuit het bloed in de cel komt, hangt sterk af van welk weefsel je bekijkt. Uiteindelijk is het alleen T3 dat actief in de celkern aan het werk gaat, T4 doet niets tot het is omgezet in T3. Om te bepalen waar de T3 in verschillende weefsels vandaan komt, hebben wij experimenten met hypothyreote ratten gedaan. Wij dienden radioactief T4 en T3 toe, zogenaamd 125T4 en 131T3. * noot de getallen verwijzen naar het isotoop jodium dat is gebruikt. Aan de hand van de radioactiviteit zijn de twee isotopen onderscheidbaar. * Er is nu een uitwisseling tussen schildklierhormoon in het bloed en in de weefsels. Als 125T4 wordt omgezet in T3, dan is dat 125T3. Op die manier kunnen we in alle weefsels bekijken hoeveel 125T3 en hoeveel 131T3 er aanwezig is, en op die manier bepalen of de T3 afkomstig is uit T4 of uit de ‘schildklier’ (potje pillen).”

 

Na ongeveer een week zijn de dieren stabiel met gelabeld T4 en T3 en euthyroot. De verhouding T3 uit omzetting en T3 uit het potje verschilt is in het bloed ongeveer 0.3, ruim 3 keer zoveel T3 uit het potje dan uit T4 dus! De verhouding in de nieren is ongeveer hetzelfde, terwijl de verhouding in de lever 0.67 is. Een ander uiterste is de cerebrale cortex *noot een deel van de hersenen *, 1.2, dus meer T3 uit omzetting dan uit bloed!

Anders gezegd: de hersenen halen gemiddeld 54% van hun T3 behoefte uit T4 (met grote verschillen tussen verschillende delen van de hersenen), de schildklier zo’n 50 %, de lever 40% en hart en spieren 0%. Hart en spieren zijn volledig afhankelijk van de aanvoer van T3 van buitenaf!

De enzymen die T4 om zetten in T3 bevatten selenium, een tekort aan selenium geeft dus problemen.

Weefsels die zelf veel T3 uit T4 maken zijn niet gevoelig voor schommelingen van T3 in het plasma: dat gebruiken ze immers nauwelijks.

 

Wat gebeurt er met de T3 niveaus’s bij hypo- en hyperthyreoïdie?

Bij zowel hypo- als hyperthyreoïdie treden veranderingen op in lokale conversie. In de lever wordt bij hypothyreoïdie minder T4 omgezet in T3. Vermoedelijk gebeurt dit om voldoende T4 voor de hersenen beschikbaar te houden. Bij hyperthyreoïdie zet de lever juist veel T4 om in T3, vermoedelijk om op die manier het teveel aan schildklierhormoon af te voeren via de gal. De cortex reageert anders op hypo- en hyperthyreoïdie. Bij hypo wordt T3 nog meer lokaal gemaakt, waardoor het tekort beperkt blijft. Bij hyperthyreoïdie wordt er minder T3 ter plekke gemaakt, het meeste komt nu uit het bloed. Hierdoor ontstaat er geen groot te veel van T3 ter plekke.

De spieren tenslotte kunnen geen T4 omzetten in T3, en zijn overgeleverd aan wat er in het bloed beschikbaar is.

Maar: is plasma T3 wel hetzelfde als lokaal gevormd T3? Er zijn aanwijzingen (maar geen bewijs) dat lokaal T3 vooral naar de celkern wordt getransporteerd (waar het doen en laten van de cel dicteert met assistentie bij het aflezen van genen). Plasma T3 gaat cytosol /Endoplasmatisch Reticulum,  in voor afbraak. Wat de gevolgen zijn voor het functioneren van de cellen in verschillende weefsels is onduidelijk.

Bij hypothyreoïdie wordt in verhouding meet T4 omgezet in actief T3 dan inactief T3, bij hyperthyreoidie gebeurd het omgekeerde. Dit heeft ook gevolgen voor bijvoorbeeld de hoeveelheden 3 3’ T2 die worden gemaakt, met onduidelijke gevolgen. Wel bekend is dat de verblijftijd van T3 in de hersenen bij hypothyreoïdie 7 keer zo lang is dan bij euthyreoidie, en bij hyperthyreoidie half zo lang.

 

De invloed van diabetes en vasten op schildklierwaarden

Ook diabetes en vasten hebben invloed om de plasmaconcentraties TSH, T4 en T3. Ten opzichte van de controlegroep ziet men dat het gevolg van diabetes is dat de concentraties T4 en T3 dalen, net als het TSH. In de weefsels ziet men bij diabetes T4 in alle weefsels dramatisch dalen, en ook het T3 maar in mindere mate.

[Diabetes en schildklierziekten zijn auto-immuunziekten, er bestaat dus al een groter risico op beide kwalen. Nu ziet men ook nog een keer dat diabetes ook zonder de auto-immuuncomponent de schildklier negatief beïnvloedt. Voorwaar geen prettige combinatie. – HmnH]

Ook bij vasten daalt T4, maar minder, T3 daalt niet. Bij vasten dalen de concentraties T4 in de weefsels, maar de hoeveelheid wisselt sterkt per orgaan. Hoewel het plasma T3 niet veranderd is, is in sommige weefsels het T3 wel gedaald, bijvoorbeeld in de hersenen. Wie wil afvallen, houde dus rekening met T3 vermindering in de hersenen! [En  daarom is afvallen ook zo moeilijk… - opmerking HmnH]

 

 

De invloed van DPH, amiodaron en flavenoide

De arme ratten werden ook stoffen van buiten blootgesteld, namelijk aan DPH, amiodarom en een nep-flavenoid.

DPH heeft een dramatische uitwerking: plasma T4 en T3 dalen, de productie van T4 en T3 dalen, vooral in de schildklier zelf. Dit alles terwijl het TSH constant blijft. Ook de clearance rates (hoe snel het schildklierhormoon uit het lichaam verdwijnt) veranderen niet.

Amiodaron (wat wordt voorgeschreven bij sommige hartkwalen) zorgt voor een perifere (in de weefsels) verstoring van omzetting van T4 naar T3. Ook de T3 afgifte door de schildklier daalt. Het T4 gaat echter niet omlaag, het stijgt zelfs! [(over verwarrende bloedtesten….) – HmnH]

Het nep flavenoid verhoogt de plasma clearance rate met een factor 5 voor T4, en in mindere mate ook voor T3. De plasme T4 daalt sterk, de plasma T3 ook maar minder sterk. Ook lokaal is de T3 productie vermindert, bijvoorbeeld in de hersenen (halvering!). Overigens: dit was bij een mega-dosis flavenoid, en er zijn 7000 verschillende flavenoiden waarvan het effect op schildklierhormonen nog niet bekend is.

 

Twee anekdotes

Van der Heide experimenteerde ooit op zichzelf en at op een avond 6 bosjes peterselie (veel flavenoïden). De volgende morgen plaste hij véél T4 uit!

In midden Afrika wordt periodiek een bepaald graan als hoofdvoedsel gegeten, deze mensen hebben een periodieke krop.

  


Ron van der Vlies

 

Na de theepauze was het woord aan Ron van der Vlies. Ron van der Vlies is geïnteresseerd in minimale schildklierproblemen. Het boek schildklierziekten van Wiersinga en Krenning besteedt een volledig hoofdstuk aan subklinische schildklierziekten. In dat boek staan twee tegenstrijdige uitspraken, waar de auteurs niet verder op in gaan: “TSH is verhoogd in alle gevallen van hypothyreoïdie.” en “Hoewel het serum TSH een belangrijke parameter is voor de diagnose van hypo- of hyperthyreoïdie, hoeft het niet representatief te zijn voor de schildklierstatus van verschillende weefsels.” Van de Vlies meent dat de TSH test wellicht minder betrouwbaar is dan gesuggereerd wordt.

 

Hypothyreoïdie en een normaal TSH

Ron van der Vlies ziet veel patiënten met hypothyreoïdie die niet direct uit de bloedtesten blijkt. Neem bijvoorbeeld Marja. Haar TSH was 0.8, vrij T3 2.97 (bij normaaalwaarden 4.00 – 7.85). Daarnaast had zij een hoog homocysteïne *noot een verhoogd homocysteïne wijst op B12 tekort * wat – zo is de ervaring van Van der Vlies – vaak voorkomt bij hypothyreoïdie. Daarnaast was haar vitamine B12 laag. Marja noemde (Van der Vlies is zeer geïnteresseerd in het hele verhaal, ‘rare’ klachten kunnen als je er even over nadenkt vaak goed verklaart worden) dat ze zich beter voelde na een ‘kick’. Zij is liefhebster van motorrijden, en de adrenalinekick die dat teweegbrengt compenseert voor de lage schildklier. Hypothyreoïdie kon bij Marja overtuigend worden vastgesteld met urineonderzoek: zowel haar T4 als T3 in de urine waren duidelijk verlaagd.

 

Oorzaken van hypothyreoïdie

Als primaire oorzaak van hypothyreoïdie noemt Van der Vlies auto-immuunreacties. Dit verklaart ook waarom vele hypo’s een laag vitamine B12 gehalte hebben, ook tegen maagcellen en intrinsic factor treden auto-immuunreacties op. Secundaire oorzaken voor hypothyreoïdie kunnen zijn magnesium of zink tekort, diabetes mellitus, laag DHEA (dit kan ook gevolg zijn van hypothyreoïdie) en progesterondeficiëntie. Van der Vlies test al zijn hypothyreoïdiepatiënten op diabetes, ongeveer 1 op 15 blijkt ook daadwerkelijk diabetes te hebben.

 

De invloed van schildklierhormoon-tekort op de hersenen is velerlei: ten eerste neemt de doorbloeding af. Geheugenstoornissen treden op, evenals concentratiestoornissen en het niet op woorden kunnen komen. Hoofdpijn, met name chronische hoofdpijn is ook een duidelijke aanwijzing voor hypothyreoïdie. Ook geleidingsdoofheid en slaap apneu wijzen richting hypothyreoïdie.

Refractaire depressies (depressies die niet reageren op antidepressiva) gaan in 52% van de gevallen gepaard met subklinische hypothyreoïdie. Hoe ernstiger de hypothyreoïdie hoe minder antidepressiva iets doen. Ook bipolaire rapid cycling stoornissen kunnen een uiting zijn van hypothyreoïdie (ook van hyperthyreoïdie).

Spierzwakte en moeten bewegen (bewegen maakt beetje schildklierhormoon vrij) zijn ook symptomen van hypothyreoïdie.

 

behandeling

Van der Vlies behandelt zijn hypothyreoïdiepatiënten met succes met thyreoidumpoeder. Zijn ervaring is dat T3 essentieel is bij de behandeling. Aanvullende therapeutische mogelijkheden naast schildklierhormoon: selenium, zink, magnesium, vitamine B12, foliumzuur en  enzymen (met name bij auto-immuun hypothyreoïdie).

 

Urineonderzoek

Uit de 24 uurs urine test blijkt vaak wel dat mensen hypothyreoot zijn. Het doen van dit onderzoek is ook belangrijk om argumenten voor de buitenwereld (reguliere artsen van de patiënt) te hebben om schildklierhormoon voor te schrijven.

 


 

Hierna mochten wij genieten van een welverdiende vegetarische lunch!

 

 


 

Hypo maar niet Happy

 

Na de lunch was het woord aan Hypo maar niet Happy. Robert Linschoten introduceert op ons zeer complimenteuze wijze, en beveelt de infomap van harte aan!

 

Als eerste vertelde Bert Bakker over zijn persoonlijke speurtocht naar een alternatief voor alleen T4 en het ontstaan van de website en belangengroep Hypo maar niet Happy.

 

Tweede spreker namens HmnH zou zijn Pieternel Bouwman, maar zij was helaas verhinderd. Daarom las Lottie van Starkenburg namens Pieternel haar verhaal voor.

 

De bijdrage van Hypo maar niet Happy werd op prijs gesteld: in de pauze hoorden wij ‘goed verhaal!’.

 


 

Dr. Basier

 

Laatste spreker van de dag was Dr. Basier. Hij begon met een reactie op dingen die eerder die dag aan de orde waren geweest.

 

Zaken die de conversie van T4 naar T3 beïnvloeden

Een lijstje met stoffen die de conversie van T4 in T3 bevorderen:

Selenium

Vitamine E

Ijzer

Magnesium

Zink

Jodium

Vitamine B12

Cortisol

Groeihormoon

T3

Melatonine

Met name op T3 vestigde Basier nog even de aandacht: om T4 in T3 om te zetten is een beetje T3 nodig.

 

Stoffen/ziekten die de conversie van T4 in T3 belemmeren zijn:

Ziekten van lever en nieren

Voedseltekort

Resorption disturbance

Diabetes

Ouderdom

De pil

Oestrogenen

Beta blockers

Lithium

Bactrimel

Cordarone (Amiodaron)

Strumasol

Phenylbutazene

 

Resistentie

De jodiumconcentratie in de schildklier is 100 maal hoger dan daarbuiten. Jodium wordt de schildklier in getransporteerd op twee manieren, via PENDRIN en via NIS (Natrium Iodine Transporter). Bij de productie van schildklierhormoon is thyreoglobuline nodig. Als tegen een van de drie PENDRIN, NIS of thyreoglobuline resistentie optreedt, dan kunnen er problemen ontstaan bij de noodzakelijke productie van ongeveer 100 ug T4 en 10 ug T3.

 

Incidentie

Over de verschillen wereldwijd in de incididentie van schildklierziekten is Dr. Basier niets bekend. Maar bij 100 gezonde mensen zonder schildklierziekte bij henzelf of de familie werd in een onderzoek nodules gevonden bij 21% bij palpathie, 67% bij echo-onderzoek en bij autopsie bij 60%.

 

Zijn eigenlijke verhaal:

 

Symptomen

Dr. Basier gaf een zeer uitgebreid overzicht van symptomen van hypothyreoïdie, enkele symptomen waren ook bij de aanwezigen van HmnH niet bekend, zoals het voorkomen van galstenen en witte, gebarsten hielen en galstenen. Ook galstenen in de familie geven een risico op hypothyreoïdie. Dr. Basier noemde ook enkele symptomen die kinderen met hypothyreoïdie hebben. Doordat de schedelgroei in horizontale doorsnee meer geremd word dan in kin-neus-nek doorsnee ontstaat een opvallende wipneus. Aan de ene kant traagheid, aan de andere kant hyperbeweeglijkheid vallen op.

 

Dr. Basier ziet 8 symptomen het meeste onder zijn patiënten:

-         vermoeidheid

-         depressie

-         koudheid

-         hoofdpijn (ook migraine)

-         spierkrampen

-         constipatie

-         arthritis

-         vertraagde achillespees reflex

Slecht 3% van de patiënten vertoont deze symptomen niet, maar is toch hypothyreoot. De lichaamstemperatuur bij ontwaken kan ook wijzen op hypothyreoïdie (bij minder dan 36.7 graden), maar is niet nuttig bij het vinden van de optimale dosis: de temperatuur blijft vaak laag.

Elk van de 8 hoofdsymptomen krijgt een score van 0 (niet aanwezig), 1 (licht aanwezig) of 2 (fullblown aanwezig). De maximumscore per patiënt is dus 16. Een score van meer dan 5 wijst op hypothyreoïdie. De score kan ook worden gebruikt om het succes van de behandeling te meten: in een groep van 832 door Dr. Basier onderzochte patiënten was de gemiddelde score voor behandeling 10 (+/-3), na behandeling 2.9 (+/-2.3).

 

Bloed en urine-onderzoeken

Allereest: Deze onderzoeken kunnen de diagnose (soms) ondersteunen, maar kijken naar symptomen is het allerbelangrijkste!

 

TSH

Over de TSH test heeft Dr. Basier een uitgesproken oordeel: “TSH correleert NIET met symptomen! De test heeft geen enkele waarde, ik laat hem niet uitvoeren.”

De verklaring: “TSH staat in feedback met T4, niet met T3, maar de patiënt heeft T3 nodig. Alleen T4 onderdrukt TSH, wat de productie van de schildklier van T3 nog verder verminderd. Het gevolg is dat de toestand van de patiënt verslechterd.”

 

Schildklierantilichamen

Het onderzoeken van antilichamen tegen de schildklier is wel nuttig: vindt men antilichamen, dan had, heeft of zal men schildklierproblemen krijgen.

 

24 uurs urinetest op T3

“De meest betrouwbare test is 24 uurs test op T3. Deze test is ongevoelig voor TBG.” *noot Schildklierhormoon bindend globuline, maar dan de engelse afkorting *. De optimale waarden voor 24 uurstest T3 is omgeveer 2000 pmol. Minder dan 1400 pmol betekent hypothyreoïdie, meer dan 2600 pmol hyperthyreoïdie. Deze waarden zijn niet gevonden door te kijken wat de gemiddelde waarde is die mensen hebben, maar door te kijken wat de waarden zijn van optimaal ingestelde mensen.

Pas na minimaal 2 maanden stabiele instelling heeft het zin deze test te herhalen, eerder zijn de uitslagen niet betrouwbaar.

 

Cholesterol

Mensen met verhoogde cholesterol gehaltes hebben 3 maal zo vaak hypothyreoïdie als mensen zonder verhoogd cholesterol. Het is vooral T3 dat cholestrol verlaagd: er is een correlatie tussen stijging van T3 en daling van cholesterol.

 

Correlatie met symptomen van de verschillende testen (hoe groter het getal, hoe beter symptomen en test uitslag met elkaar overeen komen)

T4 RIA            R2 = 0.12

T4 / TBG         R2 = 0.19

T3 24 h urine    R2 = 0.32

TSH                 R2 = 0

 

Behandeling

Zodra er klachten optreden moet begonnen worden met het toedienen van schildklierhormoon. Citaat uit de syllabus: “We verzorgen immers patiënten, niet laboratoriumtesten.”

 

Behandeling vindt plaats met T4 en T3, hetzij dierlijk (Armour Thyroid, Bio Tech Thyroid, vroeger ook Thyanon) of synthetish (Novothyral) *noot: deze combinatietablet is in Nederland niet verkrijgbaar, hier twee losse tabletten *

De gemiddelde ideale dosis Armour Thyroid bedraagt 240 mg (4 grain) (eigen onderzoek Dr. Basier).

 

 

T4 versus T4/T3

Slechts maximaal één op 4 patiënten kan voldoende T4 in T3 omzetten om genoeg te hebben aan alleen Thyroxine slikken.

In de jaren zeventig heeft Dr. Basier meegewerkt aan testen met T4 in plaats van dierlijk schildklierhormoon. Zijn klinische bevindingen waren negatief. Een citaat uit de syllabus: “Een double blind placebo behandeling met NDT *noot dierlijk schildklierhormoon * durfden we en wilden we ook niet beginnen. We vonden dat het onverantwoord was patiënten aan een dergelijke proef te onderwerpen.”

Mensen die werden omgezet van Armour Thyroid op T4 alleen (bijvoorbeeld door de huisarts, onder druk van de publiciteit) gingen achteruit. Bij terugschakelen op een gecombineerd preparaat verdwenen de klachten.

89 (elders) met T4 behandelde hypothyreoïdiepatiënten hielden allerlei hypothyreoïdie klachten, zij verbeterden toen zij T4/T3 combinatie kregen. Met alleen T4 hadden zij net zoveel klachten als niet behandelde patiënten.

 

Vraag: Waarom hebben veel mensen met hypothyreoïdie moeite om T4 in T3 om te zetten?

Antwoord: Dit wijst erop dat de ziekte niet alleen in de schildklier ligt, maar ook in de lever en nieren. Auto-immuunreacties tegen de bijnieren komen voor bij hypothyreoïdie. De lever zet minder T4 op in T3 ter bescherming van de hersenen. Uit de zaal wordt genoemd dat bij auto-immuunziekten vaak receptorstoornissen worden gezien.

 

Halfwaardetijd T3

De halfwaardetijd van T3 is officieel een dag. In de praktijk moet men daarom meerder malen per dag slikken, altijd nuchter waar mogelijk. Vooral als men meer dan 25 mcg T3 gebruikt is het van belang de dosis te verspreiden.

 

vragenronde

(antwoorden van Van der Vlies, Basier, en Van der Heide)

 

In de loop van de dag werden veel vragen gesteld, hierover vermelden wij er enkele.

 

Op de vraag naar mogelijke psychologische oorzaken van hypothyreoïdie antwoord Van der Vlies zeer stelling: “het is géén stoornis op persoonlijk niveau, het is auto-immuun.” Basier onderschrijft dit volledig.

 

Iemand uit de zaal vertelt over een vrouw die 4 jaar lang tevergeefs probeerde zwanger te raken. Nu, met minder dan een half jaar Armour gebruik is spontaan zwanger. Komt dit vaker voor?

Antwoord: ja, in een onderzoek raakte 30 tot 35% van de vrouwen met een beetje T4 erbij wel zwanger.

 

Vraag: wat zijn de oorzaken van grote verschillen tussen mensen in schildklierhormoon behoefte?

Antwoord (vdH): verschillen in aantallen receptoren zijn een facto 2 of meer, de hoeveelheid transporteitwitten en daarmee de hoeveelheid T4 en T3 die gebonden worden, maar ook het aantal T3 responselementen op één gen in DNA kan per persoon verschillen (en ook per gen natuurlijk).

 

Vraag: is er een lijst met stoffen die de conversie van T4 naar T3 beïnvloeden?

Antwoord: er is een oude lijst, niet compleet, met stoffen die de bloedwaarden veranderen. Helaas zonder daarbij verklaringen te geven over het hoe en waarom.

 

Vraag: u noemde dat patiënten ‘s winters meer schildklierhormoon moeten gebruiken. Wat is hiervoor de verklaring? Heeft het te maken met vitamine D en daglicht?

Antwoord: Het is een temperatuurseffect, los van vitamine D of licht. Koude verhoogt de behoefte. Professor van der Heide vertelt dat hij een experiment met kaalgeschoren schapen heeft gedaan. Hij vergeleek de verbruiksnelheid van schildklierhormoon bij 14 graden en 28 graden. Het verschil was een factor 5!

 

 

Vraag: waarom is de verhouding T4/T3 in Deens/Nederlands schildklierpoeder lager dan Amerikaans schildklierpoeder?

Van der Heide doet de suggestie dat dit te maken heeft met het jodiumgehalte in het voedsel van de biggen. Amerikaanse bodem bevat meer jodium dan Europese.

Vraag: is u een verband bekend met ADHD en hypo? Ik heb 2 kinderen in de praktijk gehad met ADHD die veel rustiger werden met een beetje Armour.

Antwoord: dat is goed mogelijk.

 

Vraag: wat is uw verklaring voor afwisselend hypo- en hyperklachten?

Antwoord: bij vroege fases van Hashimoto kunnen hypo- en hyper-periodes elkaar inderdaad afwisselen.

 


 

 Afsluiting

 

De dag werd afgesloten met discussie in kleine groepen en een centrale discussie met alle sprekers. Enkele discussiepunten/vragen staan onder het kopje ‘vragenronder’. Daarna mochten wij allen moe maar voldaan naar huis.